COLUMN | Pikefel

Wat ik het mooiste Friese woord vind. Die vraag kreeg ik zaterdagavond. Ik dronk rode wijn en de vraag werd gesteld door een vriendin die voor haar werk een cursus Fries moet doen. Ze was benieuwd. Geen idee, dat was mijn antwoord.

Natuurlijk had ik wel een paar woorden kunnen noemen. Boartesguod bijvoorbeeld. Of eamelje. Smûk. Gnyskje. Zelfs bealch of njonken had ik kunnen zeggen. Allen verfomfaaide letterverzamelingen met een wonderbaarlijk ongekunstelde betekenis. Maar geen van allen mijn favoriete woord. Dat werd mij een respectabel aantal wijntjes en een warrige nachtrust later in de schoot geworpen. Door Michel Vlap nota bene.

Vooruit, hij zei het in het Nederlands. Maar Michel Vlap is net zo Fries als dat hij voetballer is, dus als ik het met mijn oren dicht las, stond het er echt: pikefel. Schitterend. Ik kreeg er kippenvel van. Michel vertelde na de wedstrijd tegen FC Twente dat hij nog steeds met pikefel het veld op liep. In zijn prachtige pompeblêdenshirt. Ik genoot van een genieter.

We hebben iemand als Michel Vlap ook even nodig. Michel representeert ons. Is ons. Is wie wij willen zien. Het voelt altijd een beetje alsof ons kleine buurjongetje, dat wij hebben leren voetballen, voor het eerst mee mag doen met de grote jongens. Michel Vlap, it buorjonkje. Daar stond hij dan. Pikefel. Dat lag al decimetersdik op de armen bij zijn goal, maar werd een ondoordringbare laag genotsbobbeltjes na zijn openlijke liefdesverklaring een dag later.

Michel liet weten niets liever te willen dan bij zijn Heerenveen blijven. De club waar hij groot is geworden en nog groter mee hoopt te worden. Zulke teksten klinken ons, trouwe Feanfans, als muziek in de oren. Laat zijn goals een voorbode zijn van al het voetbalsucces dat we nog met Vlap gaan vieren. Laat zijn spel tegen Twente een voorbode zijn van al het voetbalplezier dat we nog aan hem gaan beleven.

Vlap scoorde volgens sommige media nog een hoger rapportcijfer dan erkend talent Ødegaard, die ook niet misselijk speelde. Als er nog een speler aangewezen zou moeten worden die mij kippenvel kan bezorgen, is het Martin Ødegaard wel. Er zijn maar weinig voetballers die ooit in het Heerenveenshirt hebben gespeeld die de potentie en brille van Ødegaard hebben.

Zijn goal tegen FC Twente was niet misschien niet wervelend, maar de rest van zijn spel was dat wel. Hij dartelde tussen tegenstanders en ploeggenoten door, liep waar niemand anders wilde zijn en deed dingen die niemand anders kan. Wij zagen dat al vaker en heel Nederland weet het nu ook: Ødegaard is van de buitencategorie.

Volgens Arnold Bruggink kan Ødegaard draaien op een bierviltje. Volgens mij kan Ødegaard draaien op een bierviltje, terwijl hij geblinddoekt en met geknevelde handen drie brandende fakkels jonglerend op zijn kin laat landen en dan nóg een briljante steekpass op een inferieure teamgenoot aflevert. Ondertussen heeft hij de vierde Symphonie van Beethoven geanalyseerd, verbeterd, herschreven en uitgevoerd op een verroeste tuba uit de achttiende eeuw.

Maar Ødegaard is van Real Madrid en en niet van ons, zoals Michel Vlap. En dat is jammer. Want het grote geld gaan we er niet aan verdienen en voor velen weegt dat zwaar. Voor mij niet. Ik ben al blij dat ik naar hem mag kijken. Ik kom niet naar het stadion om de club rijk te zien worden. Ik kom om vermaakt te worden. Voor kippenvelmomenten.

Over een paar jaar speelt Martin Ødegaard bij een hele grote club. Bij Real of ergens anders. En dan vegen wij trots en weemoedig het stof van zijn ingelijste spelersfoto. Kippenvel. 

Over een paar jaar zetten we koers naar het stadion om te kijken naar een ouderwets swingend Heerenveen onder leiding van aanvoerder Michel Vlap, die nog steeds nooit meer weg wil. Pikefel.

Redmer Wijnsma

Meer columns van Redmer: 

 -  Roepers en Schreeuwers (oktober 2017)

 -  Donderspeech (september 2017)

 -  Tevreden (augustus 2017)

Lees meer: