Madison Square Abe (september 2010)
Wat is er nou mooier dan de sportbeleving van Amerikanen. Ik denk: weinig. Tenminste, dat denk ik nu. Ik vond er nooit zoveel aan. Te veel show, te gemaakt en louter sporten die alleen daar belangrijk zijn. Het is een beetje zoals met korfbal of marathonschaatsen hier. Nergens anders wordt het serieus beoefend en toch zijn we er trots op dat we er goed in zijn.
Vorig jaar was ik in New York en ik had voor zestig dollar een kaartje gekocht voor een oefenwedstrijd van de New York Knicks tegen de Boston Celtics. Weliswaar de latere finalist, maar toch was het slechts een pre-season oefenpotje. In mijn beleving is een oefenpotje niet meer dan zomeravondvulling als je even de deur uit wilt. Je komt in dorpen en gehuchten waar je nooit geweest bent, omdat er toevallig een voetbalvereniging is die dat jaar exact drieënzeventig jaar bestaat.
Geheel logisch is zo’n verjaardag iets dat gevierd moet worden met een oorwassing tegen een betaald voetbal organisatie. Maar de koffie is er lekker, de saucijzenbroodjes warm en wat er ook gebeurt: je stemt na afloop de TomTom weer met een voldaan gevoel weer in op ‘thuis’. Dus met die vrijmoedige instelling stapte ik ook het walhalla aller zaalsporten binnen: Madison Square Garden. Korfballers, vergeet Ahoy.
Natuurlijk was ik er kansloos vroeg. Een paar toeristen keken net als ik wat onwennig om zich heen. Er waren net zoveel mensen in de zaal aanwezig als bij een eerste ronde bekerwedstrijd van pak ‘m beet Helmond Sport. Maar zodra een klein meisje met veel te grote bril het veld betrad, leken de Amerikanen als een grote lading mieren door alle hoeken, kieren en gaten ‘The Garden’ te betreden. Met open mond en verrassend aanwezig kippenvel luisterde ik naar hoe het meisje ons voorging in het bekendste gebed ter wereld: het Amerikaanse volkslied. De stemming sloeg om en het feest kon beginnen. Let’s get ready to rumble!
Tijdens de wedstrijd deed een stel teenagers in oversized Knicks kleren hun best om het publiek op te jutten. Het was niet eens nodig. In no time stond iedereen op de banken. Nog popcorn, meneer? Liter cola dan? Hoeveel het stond? Geen idee. Hoeveel het geworden is? Geen idee. Het kon niemand iets schelen. Het was mooi, het was spektakel en het bier smaakte goed. Een standaardavond voor de gemiddelde Amerikaan, maar voor mij een onvergetelijke sportervaring.
En in Heerenveen zijn ze bezig dezelfde vermakelijke weg te bewandelen. Het past in het charme-offensief dat het bestuur heeft ingezet. We mochten al zelf meebeslissen over de opkomsttune en als klap op de vuurpijl is er naar onze wensen geluisterd wat betreft de shirts. Een goede zet natuurlijk, want ze zijn prachtig. En het nummer van Queen was dan wel niet mijn idee, het klinkt al beter dan de onmeeklapbare matte tonen van Tiësto. Als de show vooraf maar goed is dan komt de rest vanzelf.
Maar bij de laatste oefenwedstrijd bleek dat ze nog meer voor ons in petto hadden. In eerste instantie dacht ik dat ze iets aan het testen waren voor het massaal toegestroomde vakantiepubliek, maar het blijkt een blijvertje. Een uit een plaatselijke kroeg getrokken barman annex plaatjesdraaier nam ons mee door de opstellingen op een dusdanige manier dat ik het idee had dat mij deukherstellende autowax werd aangesmeerd door Amazing Mike zelve. There’s no way like the American way.
Maar als het Friese Haagje dan toch gaat veramerikaniseren, laten we dan zorgen dat het goed gebeurt. Vraag de eerste de beste kleindochter van Robert Veenstra om het Friese volkslied te zingen. Roep de hangjongeren van Tjalleberd op om het publiek vanuit de gracht in het Abe Lenstra Stadion op te naaien tot on-Friese hoogtes. Laat de werklozen uit Wolvega berehappen pinda en glaasjes Beerenburg aan de man brengen bij de vaste tribuneklanten. Combineer dit alles met Nieuw Noords enthousiasme en je hebt het stadion op z’n kop. Topsfeer! Gegarandeerd!
R.W.




