Tussen Jan en Dick (februari 2010)
Tegen Heracles zit ik op de bank. Niet in plaats van, maar naast Jan. Everse dus. En naast Dick van Burik. Ik ben een trouwe supporter van Heerenveen en het team verkeert in een fase waarin het alle steun kan gebruiken. Dus ik sta op en bied me aan. Gezien het huidige wisselbeleid binnen de technische staf zal het niemand opvallen dat ik daar eigenlijk niet hoor.
Het gaat een mooi potje worden tegen Heracles. Het zal wel moeten ook, na de dure verliespartij tegen RKC, een week eerder. Degradatievoetbal op zijn slechtst. Twee cruciale dekkingsfouten bij stilstaande situaties en Derk Boerrigter stond met twee goals aan de basis van de verdiende overwinning. Blijkbaar geen lucky shot tegen Groningen, wereldgoal trouwens.
Jan en ik zullen het prima met elkaar vinden. We houden de boel wel pratende, hebben dezelfde humor en delen een voetbalvisie. Met Dick heb ik dat ook. Akkoord, hij heeft er iets meer verstand van dan ik, maar ook hij heeft geen diploma. Ton du Chatinier heeft dan wel laten zien dat het niet hebben van een diploma een brevet van onvermogen is, maar zeker geen carrière bij een betaald voetbalclub in de weg staat. Maar voor hem is er hoop, hij is net geslaagd. Dick van Burik nog niet, maar hij heeft het voordeel van de twijfel.
Nee, we zitten daar prima, zo naast elkaar in de dug-out. Ik, als trouwe supporter weet waar het aan schort. Jan en Dick zitten er nog maar net. Ik praat ze wel bij. ‘Het moet beter dan de afgelopen weken, Jan. Tegen Ajax zat er meer in, maar kwam er niet meer uit. En je had nog zo gehamerd op de beleving. Was niet veel van terug te zien, hè? Tegen Utrecht werd er gejaagd, was de tweede bal voor ons. Tegen Ajax niet. Ze waren gewoon een klasse beter, maar dan nog. Vechten moet je dan. Beleving, beleving, beleving! Duitse mentaliteit! Of niet, Dick?’
‘Kijk, daar zit ik normaal gesproken. Op de tribune. Doe je hoofd een beetje naar voren en dan naar rechts kijken. Daar in het midden ongeveer, dat is mijn vaste plekje. Een paar rijen daarachter zit vrouw die je precies kan vertellen wat beleving is. Schreeuwen, man, ongelooflijk. Geen seconde stil. En vaak van die onnozele dingen, hè. Vorig jaar probeerde ze Bonaventure Kalou nog naar de achterlijn te lokken met een kilo bananen. Kan niet, hoort niet. Zo’n 146 omzittenden om haar heen hebben haar dat wel even haarfijn duidelijk gemaakt. Bananen werden vervangen door drop, net zo makkelijk. Gelukkig maar. Toch, Dick? Hoe ging dat in Duitsland?’
‘Misschien dat jullie haar ook nog even de principes van het voetbalspel uit kunt leggen. Op een vrije woensdagmiddag een spelregelcursus opstarten of zo. Tegen Ajax heeft ze tot vier keer toe tot zes geteld wanneer Stekelenburg een doeltrap wilde nemen. “Doe daar nou eens wat aan, dikke dweil, hij houdt de bal veel te lang vast!”, riep ze dan. Het gekrijs kun je er zelf wel bij bedenken. Het gelach en gezucht er omheen ook.’
‘Maar dat is dus beleving, Jan. Blijkbaar pakt zelfs het publiek jouw people management goed op. Heb je het niet gehoord tijdens Heerenveen – Ajax? Man, die Bossen werd toch aangepakt door het publiek. Iets met zijn moeder. Dat is ook beleving, hè? Niet wat je bedoelt, denk ik, maar toch. Beleving, passie en bezieling. Pats boem! Massaal nare dingen roepen. Doen ze allang niet meer in Duitsland, toch Dick? Houden we hier ook niet van, geef maar door aan Yme.’
‘Maar hoe kon dat nou eigenlijk, die eerste goal van Ajax? Eigenlijk een beetje jouw pakkie aan, Dick. Slap verdedigen. Zo’n bal moet gewoon de tribune in. Doet Popov anders ook altijd, vuurpijlen op bestelling. Kan zo in dienst bij Theo Lucius. Bak Nielsen zei het nog na afloop. Maar die had geen recht van spreken. Die laat zich er uitkoppen door Rennis Dommedahl. Dat is geen beleving. In Duitsland gebeurt zoiets niet. Daar vloog eerst de man, daarna de bal de tribune in. Wat is schoffelen eigenlijk in het Duits, Dick? Ausputzen?’
‘Kunnen we die Djuricic niet eens brengen, trouwens. Beetje voetbal op het middenveld. Minder rennen, meer tikken. Dravers hebben we genoeg. Maar als ik die wil zien ga ik wel vijftien kilometer verderop bij het drafcentrum zitten. Voetbal, jongens. Voetbal. Zo moeilijk kan het toch niet zijn, kwaliteit hebben we zat. Zei je immers zelf, Jan.’
Zomaar een greep uit de korte gesprekken die ik met ze zal voeren. Tenminste, echte gesprekken zijn het niet. Het is een opsomming van de dingen die door mijn hoofd schieten op mijn tribunestoel. Daar waar ik niet zit tussen Jan en Dick. Daar zit ik tussen hoop en vrees.
R.W.




