Successupporters (januari 2010)
De afgelopen weken galmde er regelmatig een weerzinwekkende zin door mijn hoofd. ‘Ik ben een successupporter’. Op mijn werk, zittend op de bank, liggend in bed en starend naar het plafond. Ik ben een successupporter. Aldoor diezelfde paar woorden, bonkend in mijn hoofd: ik bonk ben bonk een bonk successupporter bonk.
Bij successupporters denk ik aan vrouwen met strakke oranje shirtje in de kroeg. Bij ieder groot toernooi waar Nederland actief is doemen ze plots op uit alle kieren en gaten. Waar waren ze bij Armenië-uit? Eerst door de voorbeschouwing heen kletsen en vervolgens bij een nul - nul stand in de negenentachtigste minuut een misplaatste dronken springpolonaise inzetten. Ik heb geen beeld meer, overtreed sociale grenzen en gooi met bier. Dat zouden successupporters niet doen, lijkt me. Ik kijk ook naar uitwedstrijden tegen Armenië.
Ik wil ook helemaal geen successupporter zijn. Dan ben ik net als de enthousiastelingen op de tribune in Alkmaar. Vrolijk papercuts in mijn handen slaan met een kartonnen klapper. Of ls die man voor me bij de bekerfinale die maar Gerard Sibon en Richard Breuer bleef schreeuwen. Nog nooit een wedstrijd van Heerenveen gezien, maar het was zíjn feestje. Dat zijn successupporters.
Nee, ik ben geen successupporter. Maar de huidige sportieve malaise heeft wel zijn weerslag op mijn fanatisme. Naar de bekerwedstrijd tegen PSV ben ik niet gegaan en gelaten heb ik me door Eredivisie Live op een voorspelbare nederlaag tegen Groningen laten trakteren. Je zag het aankomen. En toch had ik de voorspelling niet goed. Ik heb tegen beter weten in 0-2 ingevuld. Hoop doet leven.
Ik wil weer fanatiek worden. Zoals ik ooit ben geweest. Tot niet zo lang geleden was ik tijdens de wedstrijd al zenuwachtig voor de wedstrijd erna. Vooruit kijken doe je naar leuke dingen en het voetbal in Heerenveen was toen nog leuk. Ik heb nog nooit zo genoten als in de jaren van Gertjan Verbeek. Of we nou wonnen of verloren, het maakte me weinig uit. Bij thuiskomst vond ik op teletekst altijd weer de bevestiging dat ik bij de leukste wedstrijd van het weekend had gezeten en aan het eind van het jaar haalde je Europees voetbal.
Maar dat waren tijden waarin er gewoon gevoetbald werd volgens een wijsheid van Cruijff. Als je meer scoort dan je tegenstander, win je. En dat was het geval. Dat we er per wedstrijd vier tegen kregen was oninteressant, want we maakten er zelf vijf. Spektakel ten top, heerlijk. Maar met het ‘materiaal’ van toen ook niet geheel verrassend. Huntelaar, Alves, Samaras en Pranjic hebben jarenlang de defensieve tekortkomingen gecamoufleerd. Met goals, veel goals.
Maar we zijn niet alleen goals kwijtgeraakt, ook leiders zijn als sneeuw voor de zon verdwenen. We hebben een bestuur, een trainer en een aanvoerder. Daar zou toch een leider tussen moeten zitten. Niets is minder waar. Het bestuur houdt vertrouwen en toont zich tevreden met ‘een minder jaar’. Een minder jaar mag, maar wie in kleine stapjes wil groeien mag nooit met grote sprongen dalen.
De trainer wekt ergernis met aanhoudend dezelfde filosofieën. Knokken tot we erbij neervallen en het gras opvreten. Dat klinkt als goed advies voor een boksende geit of een vegetarische judoka, maar daarmee zijn de problemen in een voetbalelftal nog niet opgelost. Binnen het veld is er een strijd gaande tussen de spelers. Wie kijkt het meest verontwaardigd en wie kan zijn handen het hoogst ter hemel gooien. Kristian Bak Nielsen wint in de laatste categorie, maar in de eerste zijn er nog 15 gegadigden.
En de supporters? Wij zijn gedegradeerd tot lijdend voorwerp. We beleven de crisis van dichtbij en kunnen er niets aan veranderen. Apathisch toekijken, acties op touw zetten richting bestuur of sfeeracties ten behoeve van het vertrouwen van de spelers. Ieder heeft zijn eigen manier en uit dat naar behoefte. Maar we blijven komen en allemaal met hetzelfde doel. We komen voor Heerenveen zoals we dat al jaren doen. Successupporters zijn we in ieder geval niet.
R.W.




