1944: Hongerwinter in Heerenveen
In de laatste chaotische maanden van de Tweede Wereldoorlog lag het gehele leven in het westen van Nederland stil. De Friese voetbalvereniging Heerenveen nodigde daarop 86 Amsterdamse jonge spelers uit naar het noorden te komen. Zij waren afkomstig van de toenmalige Eerste Klassers Ajax, Blauw-Wit, DWS en De Volewijckers. Een reconstructie van opmerkelijke voetbalsolidariteit tijdens de bezettingsjaren.
Tweede pinksterdag 1944, 29 mei, vormt het hoogtepunt uit de geschiedenis van de Noord-Amsterdamse voetbalclub De Volewijckers. Nadat de vereniging als eerste was geëindigd in de Eerste Klasse West 1, streed zij tegen de vier andere afdelingskampioenen van het land om de nationale titel. Op deze pinksterdag speelde De Volewijckers tegen Heerenveen en de Amsterdammers hadden aan een gelijkspel voldoende voor het kampioenschap.
Ondanks de oorlogsproblemen was de belangstelling voor deze wedstrijd groot; hectische taferelen speelden zich af om een van de dertigduizend beschikbare kaartjes te bemachtigen. Ph. K. Corstens, toenmalig bestuurslid van De Volewijckers, had de drukte met verbazing aangezien: “Bepaalde levensmiddelen zijn moeilijk te krijgen. De mensen gaan echter niet naar de Beemster voor zichzelf, maar louter met de bedoeling om de daar verkregen groenten en aardappelen te ruilen voor.. kaartjes.”
Voor de aftrap dromden de mensen samen bij het stadion om via zwarthandelaren alsnog een kaartje te bemachtigen. Forse prijzen werden betaald, maar de politie greep onverbiddelijk in en arresteerde 150 verkopers. De agenten deelden de in beslag genomen toegangsbewijzen gratis uit aan de omstanders.
Onder de toeschouwers zaten veel ondergedoken mannen, die deportatie of dwangarbeid trachtten te ontlopen. Een van hen was Volewijcker Tip de Bruin. Hij wist in 1997 nog precies hoe zijn entree was: “Bij de ingang van het stadion stonden leden van de NSB en de Grüne Polizei, en daar moesten wij langs. Ik liep in het midden van de massa om onopgemerkt binnen te komen. Wat moest ik dan? Ik was blij als ik één keer in de twee weken weer even onder de mensen was.” Een uitgelaten publiek was die middag getuige van een 4-1 overwinning voor de Amsterdammers, zodat het feest kon beginnen.
DWS kwam dat jaar uit in de poule van De Volewijckers en had de vierde plaats bereikt, met twintig punten uit achttien wedstrijden. Ajax kwam dat jaar niet verder dan de tweede plaats achter het Haagse VIJC in de Eerste Klasse West 2, de andere competitie in het westen.
Op 30 januari 1944 had Ajax de Hagenaars nog wel verslagen met liefst 8-0, maar dat gebeurde in een dreigende sfeer. Gedurende de hele wedstrijd Honk het gedreun van geallieerde vliegtuigen die op weg waren naar Duitsland. Blauw-Wit speelde in dezelfde afdeling als Ajax. Het had een middelmatig jaar achter de rug: na achttien duels had het negentien punten verzameld en eindigde het op de zesde plaats, met een iets slechter doelsaldo dan Feyenoord.
Rampzaliqe berichten
In de aanloop naar het seizoen 1944/1945 heerste optimisme. Voorzitter Douwe Wagenaar van De Volewijckers schreef in het kampioensnummer dat de club hard werkte aan de bouw van een stadion voor zestienduizend mensen, een restauratiezaal en een ruimte voor indoortraining. Sportverslaggever Kick Geudeker, tevens medewerker van de illegale krant Het Parool, bezocht op 3 september de finale om de Amsterdamse AROL-beker en sprak met omstanders over het tijdstip van de eerste interland in bevrijdingstijd.
‘Als de tanks een beetje snel aanrijden’, meende een toeschouwer, 'kunnen we misschien volgende week al tegen de Engelsen voetballen.' Twee dagen later was het Dolle Dinsdag en op 7 september verbood de bezetter alle sportactiviteiten in de open lucht. Het voetballeven boven de grote rivieren zou tot het eind van de oorlog stilliggen.
De spoorwegstaking, bombardementen, gevechtshandelingen en plunderende Duitsers legden het leven in het westen lam. In de steden ontstond een voedseltekort, dat dramatische omvang kreeg na het invallen van de strenge winter Henk Vocht was in 1944 een jongen van dertien en speelde sinds twee jaar bij DWS.
'Wij hadden het thuis relatief goed, omdat we vrienden hadden op een boerderij’, vertelde hij in 1997. ‘Dat betekende natuurlijk niet dat we niets in de gaten hadden. Als je iemand onderweg zag naar een begraafplaats met een klein kartonnen doosje op zijn schouder, wist je wel wat er aan de hand was. De doden vielen op straat.”
De rampzalige berichten over de toestand in Amsterdam bereikten voetbalclub Heerenveen, waar secretaris en verzetsman Floor Féléus meteen besloot hulp te bieden. Hij organiseerde een bijeenkomst waar onder anderen voorzitter Hendrik Huisman, clublid Germ Scheper en zakenman Joop Overdiep aanwezig waren. Wim Schotanus dreef in Heerenveen een boekhandel, werkte voor de radio en was zijdelings betrokken bij deze gesprekken. “‘Ik had het te druk met mijn werk, zodat ik niet veel heb kunnen doen”, herinnerde hij zich acht jaar geleden.
'Joop Overdiep zette erg veel op touw, hij gebruikte daarvoor zijn contacten in de zakenwereld. Joop handelde veel met Amsterdammers, en dat is waarschijnlijk de reden geweest dat de Eerste Klassers uit de hoofdstad werden benaderd en niét die uit Rotterdam of Den Haag. Het had dus niet veel te maken met de contacten in de voetbalwereld. Maar welke jongens het ook waren, we deden het uit menselijke betrokkenheid.'
De brieven van Heerenveen naar de Amsterdamse verenigingeo zijn hoogstwaarschijnlijk ook bezorgd via de zakenkring van Overdiep. De invitatie bereikte uiteindelijk de Eerste Klassers en was daar een aangename verrassing. Het DWS-bestuur schreef vol lof over het aanbod om van elke club vijftien jongens op te vangen: ‘Beste mensen uit Heerenveen, jullie hebt prachtig werk gedaan. Niet medelijdend hoofdschuddend gekletst over die arme Amsterdammertjes, maar jullie hebt iets gedaan, waarvoor wij jullie ten hoogste dankbaar zijn.’
Door de slechte omstandigheden hadden alle clubs meer dan vijftien jongens die in aanmerking kwamen. Jan Smit van De Volewijckers werd bijvoorbeeld gepasseerd, waar zijn sportvriend Joop van der Mast wél mee mocht; vermoedelijk via een loting. Van het DWS-bestuur wéten we dat het lot inderdaad heeft beslist. Ad de Haas was bevriend met voorzitter A. de Bruyne en daardoor op de hoogte van de gebeurtenissen.
'Gelukkig hoefde ik niet te loten', zei hij in 1997. 'Dat moet verschrikkelijk zijn geweest.' Ajacied Rob Been schiet in de lach als hij terugdenkt aan de selectie van zijn bestuur: 'Arie en Jan de Wit zijn de zoons van onze toenmalige secretaris. Nee, dat is geen loting geweest. Dat weet ik heel zeker'.
Na de keuze ging het bestuur op bezoek bij de ouders om te vragen of ze hun zoon naar Heerenveen wilden sturen. Dat was bijzonder emotioneel, omdat het onbekend was waar hun kind terechtkwam. Indien ze toestemden, mochten de jongens niet weten wanneer ze zouden vertrekken, aangezien dat moment onbekend moest blijven. “Dus dan stond hun koffertje veertien dagen klaar”, vertelde De Haas in 1997, “en wisten ze ‘s ochtends nog niet dat ze die nacht weg zouden gaan. De voorbereiding is door een heel klein groepje mensen gedaan.”
Ajax, Blauw-Wit en DWS gingen per boot naar Lemmer. DWS’er Jan Hobby zat bij de eerste groep, die om elf uur ‘s avonds met begeleiding zou gaan varen vanaf de De Ruyterkade bij het Ij. Iedereen was gespannen; het was immers gevaarlijk op de Zuiderzee en niemand wist of de schipper goed of fout was. Vlak voor vertrek braken opeens luchtgevechten uit met afweergeschut en lichtkogels, zodat deze poging werd afgelast. Hobby: “We moesten toen de hele nacht in de boot blijven zitten, terwijl boven ons werd gevochten. Pas ‘s ochtends gingen we weer naar huis.”
De tweede poging, omstreeks oktober 1944, slaagde wél. “Iedereen om mij heen was stil”, herinnert Hobby zich. “Je was al blij als je kon staan, want we hadden allemaal honger. Het was echt doodstil.” Na een nacht varen kwam de boot aan in Lemmer, vanwaar de reis naar Heerenveen ging. De begeleiding keerde na een zware tocht huiswaarts met de mededeling dat nog vier keer vier voetballertjes waren uitgenodigd.
De Volewijckers uit Amsterdam-Noord reisden zelfstandig met een vrachtwagen. De pont naar het centrum was er immers niet meer en daardoor konden ze de De Ruyterkade niet bereiken. Van der Mast in 1997: “Voor de Afsluitdijk moesten we allemaal in de greppel, omdat er vliegtuigen aankwamen. Later stapten Duitsers in met hun fiets en reden met ons mee. We werden in Heerenveen opgevangen met een bord pap, dat we meteen verslonden.”
Vocht arriveerde later als vervanger van een teamgenoot met heimwee. Acht jaar geleden wist hij het nog goed: “Toen ik aankwam, zagen al die jongens daar er heel anders uit. Al die jeugd met die witte kop en witte haren. En dan dat taaltje! Toen ik de eerste ochtend ontbijt op bed kreeg zei mijn pleegmoeder: “Tink der om, do moatst netyn dyn bêd knoeie”. Later hoorde ik dat ze zei dat ik niet moest knoeien.’
Voetballen met Abe
De gastvrijheid was enorm, ondanks enkele aanpassingsproblemen. Jongens uit een atheïstisch gezin hadden weleens moeilijkheden bij een christelijke familie, sommige pleegouders waren te oud en ook met het eten ging het soms mis. Vooral in de eerste dagen waren de Amsterdammers niets gewend. Hobby: “Nadat ik een lepel jus had gehad, zat ik meteen met diarree op de wc, omdat dat voor mij veel te vet was.'
'En één keer ben ik weggelopen van tafel, omdat pleegbroer Piet klaagde tijdens de maaltijd. ‘Wat is dat nou voor eten?’, riep hij. Toen werd ik zó boos dat ik opstond. Zijn moeder zei tegen Piet dat hij eens met mij moest praten, omdat ik wist wat het was om honger te hebben.”
Nadat de Amsterdammers weer op krachten waren gekomen, voet maar omdat ze logeerden bij Heerenveense spelers. Bertus Moehring van Blauw-Wit verbleef bijvoorbeeld bij Jan Lenstra, de broer van Abe. En Henk Vocht speelde regelmatig met Abe zelf. “Er was een stuk groen met aan het eind een heg met water erachter, maar dat wisten wij niet vertelde Vocht in 1397. Als Abe de bal eroverheen schoot, sprongen wij over de heg naar de bal. Hij lachte zich slap als wij dan de sloot weer uitkwamen.”
Er was ook een toernooi met de Amsterdamse clubs en vier Heerenveen-teams. In april meldde het DWS-bestuur dat ‘onze jongens zich in de voetbalcompetitie geducht doen gelden’. Heerenveen 1 had na zeven wedstrijden net als DWS dertien punten behaald, waardoor een beslissingsduel nood zakelijk was. ‘Daarin sneuvelden onze jongens met 4-1 schreef DWS teleurgesteld. Ajax behaalde de derde plaats, De Volewijckers de vierde en Blauw-Wit de vijfde.
Naast het voetballen beoefenden de Amsterdammers ook typische Friese sporten. “Daar heb ik voor de eerste keer aan slootjespringen gedaan”, weet Jan Hobby nog. “Maar omdat ik dat niet kon, viel ik meteen in het water. Ik leerde daarna al snel over bredere sloten te springen.” De Friese jongeren zaten overdag op school, terwijl de westerlingen thuisbleven.
“We mochten wel”, merkt Hobby op, “maar de lessen werden in het Fries gegeven en dat spraken wij niet.” De pleegouders maakten goed gebruik van de vrije uren van hun gasten en zetten de jongens in voor klusjes. Vocht weet nog dat hij vaak de ramen schoonmaakte of de koeien moest melken. “Maar het liefst ging ik ervandoor met een bal.”
Na de eerste maanden waren de jongens zó gewend aan hun nieuwe omstandigheden dat ze weer echte straatschoffies werden. Gastvrouw Anne Visser in 1997: “Toen de Amsterdammertjes geen honger meer hadden, waren ze weer hondsbrutaal. Zo voerden ze brood aan de dikke ratten die in de sloot achter de oude hoofdtribune zaten.'
'Eén keer zat de politie achter Hobby en zijn vrienden aan. Die staken echter elke keer via een boot de gracht over om uit hun handen te blijven. De plaatselijke kranten schreven nogal eens over de Amsterdamse jeugd die Heerenveen op stelten zette, maar het is nooit uit de hand gelopen.'
Heimwee
Ondanks de vele bezigheden ontstond regelmatig heimwee. Willem Ysebrand van DWS reisde daarom dwars door de gevaarlijke ljssellinie naar Amsterdam, waarna Vocht hem verving. Het verlangen naar huis dreef ook Ajacied Otto Been terug, juist toen zijn broer Rob onderweg was naar Friesland om hem gezelschap te bieden. De twee kruisten elkaar, zodat Otto in Amsterdam zat en Rob in Friesland.
Vocht herinnerde zich acht jaar geleden nog een bepaald soort heimwee: “Ik heb nooit huilend in bed gelegen, maar ik vroeg me wel altijd af hoe het thuis zou gaan. Een telefoon was er niet en brieven kwamen niet of moeilijk aan.” Na de bevrijding keerden de Amsterdammers weer terug. Een grote groep stapte in een boot, maar het is niet bekend of De Volewijckers net als op de heenweg apart reisden.
Van der Mast en Hobby herinneren zich nog wel dat ze beiden per schip naar Amsterdam gingen, maar De Volewijckers meerden aan bij het Shell-gebouw in Noord en de andere drie clubs aan de De Ruyterkade in het centrum.
”Toen we terugliepen naar de Spaarndammerbuurt, was het één grote puinhoop”, aldus Vocht. “Overal lag vuilnis, omdat dat al tijden niet meer was opgehaald. Nadat we waren aangekomen in een buurthuis, was het een groot feest, als je het woord feest tenminste kunt gebruiken. Daar hebben we afscheid van elkaar genomen en gingen we naar huis. Het was nog wel steeds erg moeilijk vlak na de bevrijding. De politie bewaakte de bakkerskar, en mijn vader en broer kwamen een keer half- dood thuis na een gevecht om een brood.”
Rob Been keerde pas in juli terug en voelde zich niet echt thuis. “Al die hoge huizen en brede straten benauwden me. Ik kreeg bijna heimwee naar Heerenveen. Om nou te zeggen dat ik blij was terug te zijn, nee.” Been heeft nog steeds contact met zijn toenmalige pleeg- familie. Na de begrafenis van zijn pleegvader nam hij met hen de condoléances in ontvangst, als dank voor de genoten gastvrijheid.
Een week na zijn thuiskomst keerde Hobby met zijn uitgehongerde broer Gijs terug naar Friesland om hem te laten aansterken. Ook daarna bezocht hij vaak zijn gastgezin. “Dan nam ik de nachtboot naar Lemmer en stond ik ‘s ochtends bij mijn pleegouders. “Waar kom jij nou vandaan?”, riepen ze dan, maar ik was altijd welkom. ”Ook hij onderhoudt nog steeds contacten met zijn pleeg- broer en -zus en spreekt inmiddels een aardig mondje Fries.
De vijf voetbalclubs ontmoetten elkaar in de komende maanden veelvuldig. Eind mei speelden de Amsterdamse verenigingen om het stadskampioenschap. Deze zes wedstrijden trokken in totaal liefst 130 duizend toeschouwers. Ajax won alles en was de eerste naoorlogse Amsterdamse kampioen.
Op 21 en 22 juli 1945 vierde Heerenveen zijn 25-jarig bestaan. Daartoe organiseerde het een toernooi met de vier Amsterdarnse clubs; De Volewijckers werd eindwinnaar. Als dank voor de gastvrijheid kregen de Friezen een tegeltableau aangeboden. De Volewijckers bleef na afloop van het toernooi in Friesland en bezocht een weeklang andere clubs in de omgeving. De rondrit werd afgesloten met een erewedstrijd tegen Heerenveen.
Op 26 augustus 1945 bezocht Heerenveen op zijn beurt Ajax voor een vriendschappelijke wedstrijd. De Amsterdammers wonnen met 10-2, maar voelden zich daarover nogal ongemakkeljk. ‘Het was volgens de regels en de wetten van het spel volkomen verdiend’, schreef het bestuur, ‘maar toch... Wij vonden het niet aardig tegenover de sympathieke Friezen.’
Het contact verwaterde daarna. Wim Schotanus in 1997: “Vooral Ajax hield er snel mee op, maar goed, dat was toen al een grote club met een druk programma. Met DWS en De Volewijckers hebben we het langst uitwisselingen gehad. Toch jammer dat het over ging, want ik heb echt genoten van de wedstrijden met die jongens.”
Reünie
In 1995 organiseerde Heerenveen een reünie waar veel Amsterdammers, inmiddels allemaal zestig jaar oud, naartoe gingen. Vocht, twee jaar later: “We kregen daar het jubileumboek van het 75-jarig bestaan en nog steeds waren ze allemaal zo gastvrij. Ik ben enkele jaren terug nog met de DWS-junioren naar ze toe gegaan en weer werd ik met open armen ontvangen. Ik werd er gewoon verlegen van. Het is echt een fantastische tijd geweest.”
Zowel Rob Been als Jan Hobby heeft nog steeds contact met hun pleegfamilies van zestig jaar geleden. Been probeerde dit jaar een bijeenkomst te organiseren van de toenmalige Arnsterdamse jongens in Friesland. ‘Maar na een paar telefoontjes ben ik opgehouden. Of ze zijn overleden, of niemand weet waar ze nu zitten.” Het had de laatste reünie moeten zijn. Been: ‘Na zestig jaar wilde ik de deur sluiten, want het is inmiddels wel verjaard.’
Hendrik Huisman. De Baas
Hendrik Huisman (1903-1986) was gemeentesecretaris in Heerenveen toen hij in 1940 het voorzitterschap van de plaatselijke voetbalclub op zich nam. De bezieling waarmee hij dat ambt zeven jaar lang vervulde en Heerenveen naar een hoger plan wilde tillen, leverde hem hij zijn afscheid de titel ere voorzitter op. Voor velen stond Huisman tijdens zijn regeringsperiode al bekend als De Baas die voor een goede sfeer in de gehele club zorgde.
Clubliefde, sportiviteit en kameraadschap waren in zijn ogen de pijlers die Heerenveen tot de beste club van het noorden moesten maken. Huismans vijfjarenplan voorzag in vijf noordelijke titels én een landskampioenschap als absolute bekroning. Krachtige taal en scherpe speeches moesten de spelers voor elke wedstrijd oppeppen een goede prestatie te leveren.
Hoewel Huisman het vijfjarenplan had opgesteld, maakte hij de voltooiing ervan niet mee. In februari 1947 stapte hij op, omdat zijn aanstelling als burgemeester van Weststellingwerf niet te combineren viel met zijn voorzitterschap van Heerenveen. Floor Féléus werd de opvolger van Huisman, die wel zijdelings aan de club verbonden bleef als elftalleider. Huisman droeg het amateurvoetbal een warm hart toe, maar was wars van het profbestaan.
De invoering van het betaalde voetbal was aan hem dan ook niet besteed. In 1962 aanvaardde Huisman het burgemeesterschap van Heerenveen. Tegenwoordig herinnert de Huismanstraat in de Friese stad nog aan de illustere burgervader. Niet toevallig ligt aan die straat ook het Abe Lenstra Stadion, de thuishaven van SC Heerenveen.




